Het Parool, “ Voor Kunstschilder Ron Amir is het paradijs altijd nabij” / Ronald Ockhuysen

De kunstenaar Ron Amir schildert als de oude meesters. Toch doet zijn werk, aangekocht door verzamelaars in vooral Engeland, ook denken aan videogames.

In een map, liggend op een tafel vol tubes verf, boeken en computers, zitten tientallen tekeningen. Of bij nader inzien: honderden. Vele zijn vlekkerig. Soms zitten er vouwen en kreukels in. Maar allemaal zijn ze tot in detail uitgewerkt.

”Vingeroefeningen,” zegt Ron Amir (1975) met zachte stem, terwijl hij in zijn woon- en werk ruimte, een voormalige voetbalkantine in Rotterdam, een stapel houtskooltekeningen toont. Op die tekeningen zijn vooral mensen te zien die als insecten door elkaar heen krioelen. Ook typisch Amir: bloedende lichaamsdelen en aangevreten dieren. ”Als je er zo doorheen bladert, oogt het inderdaad duister. Veel gaat uiteindelijk kapot, vrees ik.”

Amir spreekt afwisselend Engels en Nederlands. Na zijn diensttijd verliet hij, als jonge twintiger, zijn geboorteland Israël. Met een duidelijke opdracht: schilder worden. Via Rome, waar hij zich bekwaamde in het restaureren en kopiëren van oude meesters, toog hij naar Amsterdam, ‘omdat ik per se naar de bakermat van Mondriaan wilde’.

De verhuizing naar Nederland betekende meer voor hem. Rome was een traditionele omgeving, waar de aanwezigheid van de paus en de katholieke kerk zich liet voelen. ”De komst naar Nederland was het moment waarop ik de traditie achterliet. Amsterdam, en later ook Groningen en Rotterdam, boden mij de kans met een schone lei te beginnen. Dit is voor mij het land van Jeroen Bosch en van Mondriaan, en alles wat daar tussen zit.”

Amir laat zich niet graag vastzetten. Wat hij maakt, is bijzonder en volstrekt eigenzinnig. De dertiger werkt in zijn atelier stoïcijns aan een even mysterieus als opvallend oeuvre, dat nadrukkelijk de dialoog aangaat met de geschiedenis van de beeldende kunst.

Monumentaal en bezeten

In zijn atelier staan twee monumentale doeken, waarvan de meest recente is ingekist voor vertrek; Amir bevindt zich in de gelukkige positie dat verzamelaars, in Engeland vooral, zijn werk op voorhand kopen. Bijna drie meter telt dat nieuwste doek, in Amirs universum een normaal formaat; hij maakte enkele jaren terug een paneel van vijf bij zes meter.

Zijn recente werk oogt rustig, voor zijn doen. In het centrum van het doek bevindt zich een tafel. Die staat midden in een lege, industrieel ogende ruimte. Op de tafel: de restanten van een dis: opengewerkt wild, darmen en een verlaten penis.

Amir behoort niet tot de hedendaagse school van kunstenaars die kunsthistorische desinteresse aan ironie koppelen. Hij opteert voor monumentaal en bezeten werk. Die werkwijze is, in een tijd van computerkunst en video-installaties, allerminst bedoeld als een statement, zegt hij. Amir kán en wil gewoon niet anders. ”Als kind al was tekenen voor mij de enige manier om me echt uit te drukken. Vergeet niet: ik kom uit Israël. In de Joodse cultuur is het eeuwen verboden geweest religieuze verhalen te verbeelden. Vanuit die achtergrond werk ik. Ik heb mezelf gevoed met Michelangelo, Bosch, Caravaggio. Als een soort levenselixer.”

Op de Koninklijke Academie in Den Haag, waar hij in 2005 afstudeerde, en later ook op het Frank Mohr Instituut in Groningen, kreeg hij ‘alle ruimte om van alles uit te vinden’. Hij tekende, experimenteerde (‘eigenlijk dag en nacht’) en ontwikkelde zijn specifieke handschrift.

Aan het nieuwste doek in zijn atelier – zonder titel, 2010 – werkte hij acht maanden achter elkaar. Dat grote formaat is, zegt hij, ‘noodzakelijk’, al vindt hij het moeilijk uit te leggen waarom. Net zoals hij lastig vindt te verklaren waar de sterke en heldere kleuren vandaan komen, die in zijn laatste schilderijen opduiken. En nee – vraag hem alsjeblieft ook niet naar één grote held.

Bol van verwijzingen

‘Ik houd van het verlangen in het werk van Goya, van de conceptuele visie van Velazquez en van de spiritualiteit van Gauguin. Maar een van hen als voorbeeld aanwijzen is me te gemakkelijk. Ik beleef kunst als één groot verhaal. Het is, vind ik, niet gepast daar zomaar een bladzijde of een hoofdstuk uit te scheuren.”
Zijn historisch besef en werkzucht vormen de basis voor schilderijen en tekeningen die bol staan van verwijzingen. Zijn kunst laat zich bekijken als een wonderbaarlijk zoekplaatje, waarin de menselijke staat wordt teruggebracht tot primaire driften. ”Je kunt het zoekplaatjes noemen, of vergelijken met Google, wat ik zelf nogal eens doe. De inhoud lijkt schier oneindig. Elk beeld roept een ander op. Die beelden zijn moeilijk opgewekt te noemen. Dat erken ik. Al betekent dat niet dat ik hier boos aan het werk ben. Ik heb geen duidelijke boodschap of een afgerond verhaal te vertellen. Maar ik ben wel bezorgd over de hoogmoed van mensen. Over hoe we los zijn geraakt van onze basis.”

Hij knikt schuldbewust. Als hij over zijn werk praat, volgen altijd grote woorden, en dat klinkt dan al snel aanmatigend, vindt hij. ”Laat ik het zo zeggen: ik ben gefascineerd door de onthechting. En die wordt door een medium als internet almaar groter. De grens tussen echt en onecht laat zich bijna niet bijna niet meer markeren. Daardoor dreigen we te vergeten wat wel en niet kan. We leggen ons met steeds meer moeite neer bij zaken die niet mogelijk zijn. Dat maakt de mens permanent ontevreden.”

De locaties die hij schildert, zoals de verlaten ruimte met de tafel, doen ook denken aan de virtuele ruimten zoals die in videogames zijn te vinden. De omgeving heeft iets desolaats en dreigends, en tevens iets verleidelijks. Wat is gebeurd aan die dis, waar afgekloven hertenkoppen en afgehakte onderbenen zijn achtergebleven?

”Mijn werk gaat ook over hoe we met elkaar omgaan. Ik zie het eerder als een hommage aan het leven dan als een aanval. In mijn schilderijen is het paradijs altijd nabij.”

Virtuele ruimte

Toen Amir examen deed aan het Frank Mohr Instituut, presenteerde hij een indrukwekkende houtskooltekening. Ook daarop vormen naakte, gewonde mensen, autowrakken en bloedende ledematen het onderwerp. ”Onheilspellend, is een kwalificatie die ik vaak hoor over wat ik maak. Of ‘somber’. Ik denk dan: het is een virtuele ruimte. Laat je als toeschouwer helemaal gaan en plooi de waarheid zoals je zelf wilt.”

Behalve de monumentale doeken maakt Amir kleinere panelen, waar hij een lossere stijl hanteert. Hier zijn dieren regelmatig de hoofdrolspelers. Maar dan wel in de hem kenmerkende stijl. Bij Amir staat een viervoeter op twee benen, als een wolf, naar een onzichtbare maan te huilen.

”Vraag me niet waarom,” zegt hij, terwijl hij zijn eigen hond, afkomstig uit een asiel, streelt. ”Ik werk met totale overgave. De inhoud van mijn schilderijen wordt onbewust aangestuurd. Letterlijk: vanuit het onderbewuste. Ik bezie het leven vanuit een denkbeeldig punt ergens zwevend boven de aarde. Alsof ik op een andere planeet ben, en de essentie van het menselijk bestaan probeer vast te pinnen.”